Cees Verhoog

Copyright 2010 Cees Verhoog

Avonturenfoto, IJsland en zo, Tsjechie,Fotografie,contact


Askja

Ligt afgelegen, zorg voor voldoende brandstof!


De verkeersdienst van IJsland houdt de situatie van de belangrijkste wegen dag en acht bij op het internet.


Filmpje HiLift Jack vs Air Lift:

http://youtu.be/Hc7Tni99dlQ


Instructie HiLift klik hier

Overnachten in IJsland Hoofdweg nr1 In beelden route naar Askja

Inkopen doen


Koop zoveel mogelijk vers voedsel in daar waar het kan. Onderweg is er echt niets! Een benzinepomp verkoopt soms nog wat extra's, maar dat blijft beperkt tot koek en snoep. De “Bonus” is het goedkoopst. Ook vakkenvullers spreken engels, over het algemeen zijn ze meer dan behulpzaam als je hen om raad vraagt. IJslanders doen veel betalingen met de creditcard. Zelfs in het binnenland, waar niets is, wordt op de camping of hut de card geaccepteerd (Visa, Master).


Lectuur:


Loneley Planet (ISBN 0-86442-686-0) Engelstalig, uitgebreid en ook Groenland en Faeröer eilanden.


IJsland, door Willem van Blijderveen. (ISBN 90-257-3295 x/NUGI 471). Uitstekende informatie in je eigen taal.

Veel bezienswaardigheden ook met GPS coördinaten, actuele foto's en logische indeling


Iceland touring map, 1:500000 (Ferdakort) (ISBN 9979 75 028 6)


Taal

De IJslandse taal kent drie letters die we in het Nederlands nooit tegenkomen:


Æ - æ (aelig) - deze letter wordt uitgesproken als 'aai' (of als de 'i' in het Engelse 'high').


Ð - ð (eth) - deze wordt min of meer als onze 'd' uitgesproken, het is me alleen niet duidelijk of hij aan het eind van een woord stemhebbend is.


Þ - þ (thorn) - deze letter wordt uitgesproken als de 'th' in het Engelse 'cathedral'.


Te zien

Nabij Akureyri:

Als je naar het noorden komt (net voordat je in Akureyri aankomt over F821) kom je langs een klein dorpje (Hrafnagil) waar het kerstmannenhuisje staat.


Bij Mývatn het gebied rond Krafla bekijken (lava, modderpotten gewoon fantastisch).


Een uitstapje naar de Herðubreið (kan vanaf de ringweg, wel zelf eten en drinken meenemen want er is daar weer niets).


Vanaf Egilsstaðir is het mogelijk om naar Snæfell te gaan (= de hoogste berg van IJsland die niet onder het ijs van de Vatnajökull zit).


Het is mooier om vanaf Egilsstaðir via de Oostfjorden  naar Djúpivogur te rijden (maar er bestaat zoiets als Oostfjorden mist (komt vooral op in zuid/zuidoosten wind)).




Eindelijk IJsland (vervolg deel 4)


Verderop via de F863 kun je een rondwandeling bij Leirnjúkur maken, ook bezocht door toeristen, maar dan die op eigen gelegenheid, zoals wij of met speciale ijslandtours daar aankomen. Een echte aanrader, vele kleuren gesteente, dampen overal uit de grond en machtige panorama’s. Goed is ook te zien de verschillen tussen de lava uitbarstingen van kort geleden en van vroeger. Een paradijs voor geologen.


We staan voor een dilemma, gaan we naar Askja en terug, of gaan we via Askja verder. De keus is vanwege de waarschuwing dat er de komende 268km geen benzinepomp is. Heen en weer zou precies gaan en op doorreis weten we niet waar de volgende pomp is. We rekenen er op dat bij Askja wel info te vinden is waar de volgende pleisterplaats zal zijn. Dus op naar Askja. De Askja is een attractie waar veel mensen heen willen, maar dat merk je niet aan de route. Soms lijkt het of we echt de enigen zijn die deze weg nemen. Smal en verlaten, diverse riviertjes over en een naargeestige aanblik. Als we het grootste deel van de reis gehad hebben overnachten we bij de Herðubreið. Daar blijkt dat we toch niet de enigen zijn want de hut is volgeboekt en ook op de campingsite staan diverse tenten de harde wind te trotseren. Als we de volgende dag verder trekken komen we verschillende touringcars tegen die met een noodgang zich door de smalle weg wringen en ons inhalen. Ook het overige verkeer doet van zich spreken en aangekomen bij  Dekragil de laatste hut voor Askja, is het een drukte van belang. Italianen, Fransen, Nederlanders, Duitsers een bonte mengeling van nationaliteiten.


Ach wat heet druk, als je twee auto’s per dag tegenkomt en dan op eens twintig, ja dat is druk…


Vanaf de parkeerplaats bij Askja is het toch een flink stuk lopen naar de krater over een grote gitzwarte vlakte. De moeite waard.


Na dat bezoek besluiten we niet dezelfde weg terug te nemen, maar via de F910 naar Brú te gaan, alwaar een pomp zou moeten zijn. Een goed gesprek met de Warden van Dekragil, leerde ons dat we daar geen pomp zouden vinden, maar wat verderop in Aðalból. Ook  vertelde hij nog wat kneepjes voor het doorwaden. “Go with the flow”, en “take it easy.“ Hij is geen voorstander van de “boeggolf”, rustig doorrijden en niet schakelen. Inderdaad dat scheelt een hoop. De F910 is een lange goed berijdbare, voor IJslandse begrippen, weg. Weinig verkeer en geen touringcars. Hoewel kaal en uitgestrekt wisselt het landschap steeds. Bij Brú aangekomen overvalt ons weer hetzelfde gevoel als eerder bij Akureyri, we komen weer terug in een groene wereld met weilanden en volop leven. We besluiten niet te tanken, maar met de brandstof uit de jerrycans door te rijden naar Egilsstaðir. Daar gaan we onze inkopen doen en comfortabel te overnachten in een tot pension omgebouwde school.


Hoewel een klein plaatsje in voor onze begrippen, is dit echt een plaats met een regiofunctie. Een grote supermarkt met van alles te koop, tankstation en diverse andere winkels. Een  drukte van je welste en na zo’n tijd met rust om je heen best wel gezellig.


De laatste etappe


We zijn inmiddels al twee weken onderweg en hebben dus het grootste deel achter de rug. De toekomst ziet er wat minder avontuurlijk uit, maar, naar zal later blijken, daarin hebben we ons vergist. We komen nu in het “bosgebied”van IJsland We leren dat niet het klimaat zorgt voor weinig of geen bos, maar de overal los lopende schapen. In deze regio is het verboden schapen lost te laten lopen en is er een heus bosbouw plan. We gaan op zoek naar de oudste boom van IJsland en bij Hallormsstaðir vinden we de aanwijzing een bewegwijzering wijst de weg en na een korte wandeling belanden bij een stevige den. Compleet met bord waarop de plant datum 1938!


We trekken verder en besluiten de doorsteek te wagen via de F939. Wagen is een groot woord. Met goed weer is dit met elke normale auto te rijden, maar er zijn een aantal gevaarlijke punten. Het uitzicht is echt prachtig. Door het dal met groene berghellingen en riviertjes die kabbelen, bergtoppen boven de wolken uit en vergezichten die je niet gauw vergeet. Alweer een aanrader! De weg leidt ons weer tot de ringweg bij de fjord van Djúpivogur. Het is prachtig weer en we genieten languit in het mos van een heerlijk zonnetje. Djúpivogur is weer zo’n dorpje waar weinig te beleven valt. Wat wel elke keer weer opvalt, is de wisselende bouw van de huizen, felgekleurde daken, torentjes, pasteltinten en kris kras gebouwd en weer strakke nieuwbouw, alles door elkaar. De ring weg is hier goed bereidbaar, maar ook gevaarlijk, de weg is smal, soms onverhard en grote stofwolken met tegenlicht, doen je het zicht op voorgangers en tegenliggers benemen. Vlak voor Höfn is er nog een steile helling te nemen: 17%! Vooral naar beneden is tricky, het losse gesteente zorgt niet voor een zekere remweg. Eén van de hoogtepunten en zeker een aanrader is het gletsjermeer Jökulsárlon. Grote brokken van de smeltende gletsjer stromen hier via een gletsjermeer de oceaan op. Het is mogelijk om met een speciaal amfibie voertuig een boottocht te maken tussen de schotsen door. Wijzelf waren sterk onder de indruk van de stilte, wijdsheid en volume van dit afbrekende ijs en hebben rustig vanaf de kant zitten mijmeren en bewonderen van dit spektakel.


We vervolgen de ringweg, hoewel verhard en modern is ook hier het rijden een aparte belevenis, je voelt geen behoefte om hard te rijden, zoals je dat thuis in Nederland wel hebt, er gaat een soort van rust uit. Je stopt sneller voor een mooi uitzicht of voor het maken van foto’s. We hadden al een tijd geen waterval meer gezien, dus hielden  we nog even stil bij de Skogafoss. Nu we dichter bij Reykjavik komen zijn er ook meer toeristen, en deze waterval is zeer gemakkelijk te bereiken. Daarom niet minder spectaculair!  Als je er een nat pak voor over hebt, kun je tot heel dicht bij komen. De reis gaat verder en het verkeer wordt drukker, de stopplaatsen hebben een eigen sfeer die een beetje Amerikaanse filmachtig aandoen. Eenvoudige cafés met een benzinepomp, was inrichting voor de auto, prentbriefkaarten en toeristen. Wegens het slechte weer hadden we geen zin om door te rijden naar Reykjavik, om daar twee dagen blijven en daarom bleven we een extra dag in Hveragerði. We kiezen voor comfort en overnachten in een guesthouse. Hveragerði biedt voor IJslandse begrippen een hoop mogelijkheden: een bibliotheek met internet, een botanische tuin, diverse eetgelegenheden en waar wij voor kozen, een prachtige wandeltocht tussen de heetwater bronnen. In een vergeten hoekje staat daar zomaar een Geysir te spuiten, niet zo groot als de Strokkur, maar door zijn eenzaamheid toch indrukwekkend. De wandeltocht die we maakten leidt langs slingerende paadjes met her en der stroompjes met bij sommige de waarschuwing dat je je handen kunt branden aan het hete water. Leuk was het punt waar ijskoud water heet water ontmoet. Er is een dijkje opgeworpen, waardoor er achter een poeltje was ontstaan dat precies een aangename badwater temperatuur had. Wegens het slechte weer hebben we de poel verder niet getest, maar we kunnen ons voorstellen dat bij beter weer dit een heerlijke pauze kan zijn tijdens de wandeling.


Afscheid

De laatste dag in Reykjavik. We hebben geregeld dat we de auto op zaterdag inleveren in plaats van op de werkdag vrijdag. De portier van het haventerrein was zeer vriendelijk en bood ons  zelfs aan een taxi te bellen om ons naar het centrum te brengen. Geen formaliteiten, geen douane, gewoon sleuteltjes bij de portier en de auto achterlaten, een  vreemd gevoel. Zo zonder auto voel je je toch een beetje verloren. Dat gaat snel over als we door de stad wandelen waar je toch je ogen uitkijkt. Het is een op zijn eigen manier een gezellig stadje dat moeilijk te omschrijven valt, je moet het meemaken. Het vliegtuig vertrekt om zeven uur ’s ochtends, dat lijkt een redelijke tijd, maar komt er op neer dat we om drie uur moeten opstaan. Gaan er dan bussen? Ja, dat is typisch IJsland, als er behoefte is, dan is er invulling. Een rechtstreekse verbinding met Keflavik is geregeld, je kunt zelfs met creditcard in de bus betalen, dus geld opsparen voor de laatste betaalde actie is niet nodig. Op het vliegveld valt het echter allemaal erg tegen. Alle vluchten vertrekken vlak na elkaar en de kleine vertrekhal is bomvol, vervolgens ook de geldwissel kantoren en als ware het een voorproefje voor thuis, overal lange rijen.


Weer thuis

De laatste actie, als ik alweer een week thuis ben, is de auto ophalen in Rotterdam. Dat leverde nog een probleempje op bij de douane. Ergens heeft iemand mijn kenteken verkeerd overgeschreven: 05 werd OS, en dat stond niet op mijn papieren, dus kan de auto niet van mij zijn! Nadat de dienstklopper het overgegeven had aan een wat mildere dame, kon na ruim een uur en na al mijn legitimatie mogelijkheden en goed praten en uitleggen, de auto toch meegenomen worden. Net als in IJsland was de controle bij Eimskip in Rotterdam soepel, hoewel pauze, onderbrak de ambtenaar zijn lunch om de auto met een korte blik te controleren en mij een goede thuisreis te wensen.

Een mooi slot van een onvergetelijke reis.

IJsland en zo...